7/7 leesrooster Paulus van Efeze op weg naar Jeruzalem

zondag 12 mei 2019

HANDELINGEN 21 : 1-4

1 Na ons afscheid van de oudsten van Efeze kozen we zee en zetten rechtstreeks koers naar Kos. De dag daarop bereikten we Rhodos, en van daar voeren we naar Patara. 2 Daar vonden we een ​schip​ dat de oversteek naar Fenicië zou maken. We gingen aan boord en voeren weg. 3 We kregen Cyprus in zicht, maar lieten het links liggen en zeilden verder naar Syrië, waar we de haven van Tyrus binnenliepen. Daar moest het ​schip​ zijn lading lossen. 4 We gingen op zoek naar de ​leerlingen​ en bleven een week bij hen. Geïnspireerd door de Geest zeiden ze tegen ​Paulus​ dat hij niet moest doorreizen naar ​Jeruzalem.

Ons leven kun je vergelijken met een reis en we bevinden ons allemaal ergens onderweg naar onze eindbestemming. Om te reizen moet je ook een route hebben. Zo is Paulus ook op reis. Van de westkust van het huidige Turkije naar Jeruzalem. Havens en eilanden komen onderweg voorbij. Zij volgen een uitgestippelde route. Zo kan dat in ons leven ook gaan.

Geloven heeft ook alles te maken met een reis. Abraham, die lang voor Paulus leefde hoorde ook een stem die tegen hem zegt: ‘Ga op reis naar land dat Ik je wijzen zal!’ Hij gehoorzaamt en gaat de lange reis naar beloofde land. Hoe vind je de weg op die reis van het geloof? Stippel je je eigen route uit… of volg je aanwijzingen van God?

In Handelingen zien we Paulus. Druk bezig z’n eigen route uit te stippelen. Eerst carrière makend bij de Joden in Jeruzalem. Hij weet precies waar hij uit wil komen. Maar dan … ineens… lichtflits… stem uit hemel… stekeblind. Hoor je dat? ‘Here, wat wilt U dat ik doen zal? – Ik wil niet langer mijn eigen route uitstippelen; wijst U mij de weg.’

Herkennen wij Gods aanwijzingen? We zeggen dan tegen elkaar: ‘Er komt geen briefje uit de hemel!’ In ons dagelijks leven vertelt de TomTom ons precies wat we moeten doen, maar op de weg van het geloof kan ’t zo stil zijn… Reizen met God – hoe gaat dat?

In Tyrus hoort Paulus broeders zeggen: ‘Niet naar Jeruzalem!’ Moet hij daar naar luisteren? Hoe weet je zeker dat je Gods stem hoort; dat je ondertussen toch niet doet wat jouzelf het beste uitkomt?