4/7 Leesrooster Advent

donderdag 6 december 2018

GENESIS 3 : 1-8

1 De slang nu was de listigste onder alle dieren van het veld, die de HERE God gemaakt had; en hij zei tegen de vrouw: Is het echt zo dat God gezegd heeft: U mag niet eten van alle bomen in de hof. 2 En de vrouw zei tegen de slang: Van de vrucht van de bomen in de hof mogen wij eten,3 maar van de vrucht van de boom die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: U mag daarvan niet eten en hem niet aanraken, anders sterft u.4 Toen zei de slang tegen de vrouw: U zult zeker niet sterven.5 Maar God weet dat, op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en dat u als God zult zijn, goed en kwaad kennend.6 En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en hij at ervan. 7 Toen werden de ogen van beiden geopend en zij merkten dat zij naakt waren. Zij vlochten vijgenbladeren samen en maakten voor zichzelf schorten. 8 En zij hoorden de stem van de HERE God, die in de hof wandelde, bij de wind in de namiddag. Toen verborgen ​Adam​ en zijn vrouw zich voor het aangezicht van de HERE God te midden van de bomen in de hof.

In Genesis 3 lezen we de aangrijpende geschiedenis van de zondeval. De mens, het pronkjuweel van Gods schepping, sneed de band met zijn God door en sloot vriendschap met de vorst van de duisternis. Toen kwam de vloek, de duisternis, de dood. De mens die geschapen was om eeuwig met zijn God te leven, werd onderworpen aan de dood. Het licht in hem werd duisternis. De gezindheid om God en naaste lief te hebben veranderde in geneigdheid tot de zonde en het kwade. De afval van een goed en heerlijk God betekende diepe val in ellende en dood. God was zijn mens kwijt en de mens zijn God!

Adam en Eva vluchtten van hun Schepper weg en verborgen zich tussen het struikgewas. De hel juichte en satan scheen overwinnaar.