4/7 Paulus met Gods Woord op weg naar Europa – Hand. 15+16 #leesrooster

donderdag 8 november 2018

HANDELINGEN 16 : 1-4

1 Hij kwam ook in ​Derbe​ en ​Lystra. In ​Lystra​ ontmoette hij een ​leerling​ die Timotheüs heette, de zoon van een gelovig geworden Joodse vrouw en een niet-Joodse vader. 2 Timotheüs stond goed aangeschreven bij de gelovigen in ​Lystra​ en ​Ikonium, 3 ​Paulus​ wilde hem met zich meenemen op ​reis. Hij liet hem eerst ​besnijden​ ter wille van de ​Joden​ in ​Lystra​ en ​Ikonium, die immers allen wisten dat Timotheüs een niet-Joodse vader had. 4 Op hun tocht langs de steden stelden ze de gemeenteleden op de hoogte van de besluiten die door de ​apostelen​ en de oudsten in ​Jeruzalem​ waren genomen en droegen hun op zich daaraan te houden.

Paulus komt weer in Derbe en Lystra, waar hij op eerste zendingsreis ook is geweest (Hand. 14:6-21). Wellicht zijn Timotheüs met zijn moeder Eunice en grootmoeder Loïs vanaf die tijd christin geworden en hebben zij Timotheüs onderwezen. Als Paulus later zijn 2e brief aan Timotheüs schrijft dan herinnert hij zich ‘het ongeveinsde geloof’ dat zowel in Timotheüs woonde als in zijn moeder en grootmoeder (2Tim. 1:5). Maar dat niet alleen, want ook de broederschap gaf een goed getuigenis van hem (vs.2). Paulus besluit Timotheüs mee te nemen vanwege zijn geloof en ook de ‘goede belijdenis door hem afgelegd’ (1Tim. 6:12) en andere gaven die hij had en de zegen die hij meekreeg (oplegging der handen) door de gezamenlijke oudsten (1Tim. 4:14).

Mogelijk was zijn vader als niet-gelovige Griek tegen zijn Joodse besnijdenis geweest, maar omdat hij van moeders kant een Jood was, heeft Paulus dat verzuim goed gemaakt en dat kon nu zonder bezwaar van zijn Griekse vader die mogelijk overleden was.

Die besnijdenis was meer een vorm-zaak en nakomen van Joden-plicht dan vanwege de leer, want ze blijven juist achter de genomen besluiten staan die in Jeruzalem waren genomen (vs.4).