Vasten #leesrooster Lucas 5 1/7

maandag 12 februari 2018
LUCAS 5 : 17-21

17 Toen Jezus op een dag onderricht gaf, bevonden zich onder zijn gehoor ook Farizeeën en
​Wetgeleerden​ die uit allerlei plaatsen in Galilea en Judea en uit Jeruzalem waren gekomen. De kracht
van de ​Here​ was werkzaam in Hem, opdat Hij zieken zou genezen. 18 Er kwamen een paar mannen
met een verlamde op een draagbed, die ze naar binnen wilden brengen om hem voor ​Jezus​ neer te
leggen. 19 Maar ze zagen geen kans om door de mensenmassa heen te komen, en dus gingen ze het
​dak​ op en lieten hem op het ​bed​ door een opening in het tegeldak naar beneden zakken tot vlak voor
​Jezus. 20 Toen Hij hun geloof zag, zei Hij tegen hem: ‘Uw ​zonden​ zijn u ​vergeven.’ 21 De
​Schriftgeleerden​ en de Farizeeën begonnen zich af te vragen: Wie is die man dat hij deze
godslasterlijke taal spreekt? Wie kan ​zonden​ ​vergeven​ dan God alleen?

De Here Jezus is nog steeds in het noordelijke Galilea. Een paar vrienden uit Kafarnaüm proberen
een verlamde bij Hem te brengen. Ze moeten daarvoor de mensenmassa in het huis omzeilen en het
dak openbreken om de zieke precies voor de voeten van de Here te laten zakken. Ze vragen niet of
Jezus bij de verlamde langs wil komen. Ze brengen hem bij Jezus, in de zekerheid dat alleen bij Hem
genezing te vinden is. Jezus ziet hun geloof en spreekt de verlamde bemoedigend toe: “Uw zonden
zijn u vergeven”.
De daar aanwezige Schriftgeleerden vinden het pure godslastering. Toch onderneemt Jezus actie in
de juiste volgorde. Eerst wordt zondeschuld voldaan door te vergeven en dan herstelt Jezus ook het
verziekte leven. Daarmee bewijst Hij als Mensenzoon volmacht te hebben zonden te vergeven. Jezus
ziet hun geloof. Zouden wij dan niet gemotiveerd zijn mensen bij Jezus te brengen?